Marijke Ekelschot
Dat mogen we niet
*
Ze hebben mijn moeder uitgeschakeld. De dokter heeft het voorgeschreven en het personeel heeft het
uitgevoerd. Ze wilde namelijk s nachts niet altijd op haar kamer blijven en liep overdag soms met haar
rollator de verkeerde kamer in. Dat vond de verzorging knap lastig. Dus gaven ze haar, in het geniep,
een zwaar versuffend middel en voor de zekerheid ook nog teveel. Dat kon haar 86-jarige lichaam niet
meer aan.
Het was eerlijker geweest als jullie haar hadden vastgebonden, zeg ik tegen een verzorgster, als ik
half juli geïnformeerd word over de achtergronden van de deplorabele staat waarin ik mijn moeder,
aantref . O mevrouw, maar dat mogen we helemaal niet, antwoordt ze geschrokken. Knock-out slaan
wel ? Maar we wisten toch niet dat ze niet meer bij zou komen, roept ze verontwaardigd.
Mijn moeder hangt in een stoel. Ze praat niet meer, herkent niet meer, beweegt niet meer, poept en
piest naar hartelust en is voor haar overleving afhankelijk van wie bereid is haar pap te voeren, te
drenken en te verschonen, uit bed in de stoel en vice versa te tillen. Ze stinkt en ziet er zo zonder
gebit uw moeder maakt toch geen kauwbewegingen meer! , vermagerd en kromgetrokken,
onderuitzakkend in die stoel, uit om weg te gooien. De verzorging vindt het eng om op hun eentje haar
kamer in te gaan omdat ze er zo als een zombie uitziet. Dat verklaart dan meteen dat ze, zo te
merken, een passief verstervingsbeleid begonnen zijn; op haar kamer is het snikheet, maar de deur
mag niet open vanwege de regels en het raam kan niet open en de ventilator staat in de kast. Krijgt
ze wel genoeg te drinken, vraag ik. Uw moeder houdt vaak haar mond dicht als we haar drinken
aanbieden, zegt de verzorging, en wijst op zinnetjes in hun logboek: mevrouw wilde niet drinken,
mevrouw hield haar mond dicht, mevrouw wilde maar een half kopje bouillon. Mijn oude moeder, die
dankzij de knock-out niets meer te willen heeft, krijgt in dat boek een flinke wil toebedeeld en is zo
reddeloos ingeschreven in het rijk van de demente bejaarden die voedsel en vocht weigeren. Die
willen dood, is de publieke opinie en klaarblijkelijk ook de opinie van de verzorging, die mij nog vraagt
wat is de meerwaarde, mevrouw, als uw moeder zou blijven leven?
Ondertussen voer ik mijn moeder bekers vol sap en flinke porties tiramisu, chocolade mousse en
yoghurt, wanhopig hopend dat de gevolgen van het al wekenlang gevoerde uitdrogingsbeleid nog te
keren zijn. Soms krijg ik een glimlach cadeau. In het besef dat, als ik het niet doe, niemand de tijd zal
nemen voor de toediening van 1,5 tot 2 liter vocht per dag, vraag ik na een paar dagen om een infuus.
Dat mogen we niet, zegt de verzorgster. Houd een vochtlijst bij, zeg ik, in de hoop dat ze zich dan
meer zullen inspannen om mijn moeder in leven te houden. Dat zullen ze doen
De volgende dag tref ik mijn moeder niet in haar stoel maar in haar bed. De linkerkant van haar
gezicht is zwaar beschadigd; haar kaak bont en blauw gezwollen, haar oogkas gereduceerd tot één
grote bloeduitstorting. Ze was uit bed gevallen. Ik scheld de eindverantwoordelijke verzorgster uit en
roep dat het een schande is dat ze niet ter bescherming van mijn moeder het hekje van haar bed
omhoog gedaan hebben. Maar dat mogen we niet, roept ze, want dan beperken we uw moeder in
haar bewegingsvrijheid en daarvoor zijn wel vijf handtekeningen nodig!
Ach ja, de bewegingsvrijheid en andere mensenrechten van mijn moeder, die achter haar rug om door
toedoen van arts en verzorging gereduceerd is tot iemand die uitsluitend nog onwillekeurige
bewegingen maakt! Hoe moet haar lichaam deze nieuw opgelopen schade repareren, zo verzwakt als
ze is? Ze heeft ook al een grote zwarte, bloedende decubituswond bij haar stuit! Ze drinkt nog wel,
maar het put haar zo vreselijk uit.
Vier dagen later sterft ze. Op de overlijdensakte staat een natuurlijke doodsoorzaak vermeld. En als
datum 24 juli 2003. Het is op die dag precies vier weken geleden dat ze voor het laatst met haar
rollator de verzorging tot last was.
*
Verschenen in Wouwblad, najaar 2003